overig

De tram die op hol sloeg

Als Adriaan Pieters terugdenkt aan die dag, schieten de tranen hem in zijn ogen. Als trambestuurder van lijn 4 was hij wel wat gewend. Maar de dag dat zijn tram op hol sloeg, zou hij niet snel vergeten. Tram 4 werd ook wel de kaktram genoemd vanwege het grote aantal dure dames en meneertjes met een vlinderdas dat meereed. Ze stapten op in Hillegersberg, halte C.N.A. Looslaan, halte Bergse Plaslaan, halte Lommerrijk. Soms kon je de geur van sigaren ruiken in de tram, maar meestal rook je verschillende parfums, de ene nog zoeter dan de andere. Alsof je de Bijenkorf binnenstapte. Het was het warenhuis waar de dure dames en meneertjes vaak naar op weg waren. Nooit gingen ze naar het eindpunt: Marconiplein.


Adriaan Pieters prees zichzelf gelukkig als hij weer eens verkouden was. Dan hoefde hij de slierten parfum in zijn tram niet te ruiken. Het was eens zo erg geweest dat zijn vrouw aan zijn uniform had geroken en had gevraagd: “Weet je zeker dat je niet een ander hebt?”


Natuurlijk, er werd ook geflirt in de tram. Maar niet door de dure dames. Het waren de jonge vrouwen die bij Centraal Station opstapten. Of van het Marconiplein naar het centrum reisden. Ze droegen ’s zomers korte rokjes en strakke truitjes. Er waren collega’s die de bel lieten klingelen als ze een mooie vrouw over straat zagen lopen. Je kon moeilijk boven het geluid van de ijzeren wielen uit fluiten, was hun uitleg. Vaak werd er teruggezwaaid.


Adriaan Pieters had veel meegemaakt in zijn tram. Passagiers die in slaap vielen, een kind dat was vergeten, een oma die beweerde in haar billen te zijn geknepen. In het laatste geval had Adriaan Pieters te doen met de man die beschuldigd was van de ongewenste intimiteit. “Dat zijn de stoelen,” was het verweer van de oudere heer geweest. “De stoelen zijn hard en hoekig.” Maar de oma bleef bij haar verhaal. “Je denkt toch niet dat ik gek ben?” riep ze door de hele tram. Iedereen mocht meegenieten. “Ik weet heus wel het verschil tussen een stoel en een mannenhand!” De oudere heer was bij de eerstvolgende halte uit de tram gevlucht.


Ook was er ooit een brandje geweest in de tram van Adriaan Pieters. Het waren jonge knapen geweest die een sigaretje hadden gerookt en hun peuken in de prullenbak hadden gegooid. Er waren geen vlammen geweest, maar de tram had wel vol met rook gestaan. De mensen waren rustig opgestaan en hadden de tram via de geopende deuren verlaten. Na een minuut of vijf kon er worden doorgereden. Nee, de tram was niet op hol geslagen. De tram had zijn weg vervolgd naar de volgende halte. Bloemkwekersstraat. Adriaan Pieters had er een tante wonen. Ze had lang geleden een kat gehad. Hij had er als jongetje mee gespeeld. Nu was zijn tante alleen. Geen man, geen kat. Hij durfde niet op bezoek te gaan, maar dacht altijd aan haar als hij met de tram bij halte Bloemkwekersstraat stond.


Misschien waren het de gedachten aan zijn tante geweest. Of was het de kinderwagen geweest die naar binnen was getild? De tramdeuren hadden in ieder geval lang opengestaan. Door de opening van de achterste deuren was eerst een doffer naar binnen gevlogen, en toen was er ook een vrouwtje achteraangekomen. Adriaan Pieters had niks doorgehad en was weggereden, naar de volgende halte: Mathenesserlaan. Maar na dertig meter was zijn tram op hol geslagen. Het begon met gillende mensen. Al snel werd er ook met armen gezwaaid. Daarvan raakten de duiven echter in paniek. Ze vlogen de hele tram door, botsten tegen ramen, poepten op de hoofden van passagiers. Adriaan Pieters wist niet direct wat er aan de hand was. Toen hij een duif zag opdoemen in zijn spiegeltje, schrok hij zich zo wezenloos dat hij op de bel drukte. Direct daarna kwam het vrouwtje en botste tegen het glas waarachter Adriaan Pieters zat. Hij drukte in een reflex de hendel naar voren, waarna de tram steeds harder begon te rijden. Wie op straat stond en keek naar het okergele voertuig dat raasde over de Nieuwe Binnenweg, zag een tram die op hol was geslagen. Mensen mepten om zich heen, twee duiven vlogen over hoofden, en de trambestuurder klingelde aan een stuk door.


Weet je zeker dat je geen ander hebt?” vroeg de vrouw van Adriaan Pieters toen ze zijn verfomfaaide uniform zag. Gelukkig zat er ook vogelpoep op. Bewijs van een vreemd verhaal. Ze moest er luid om lachen, en toen schoten ook de tranen in de ogen van de trambestuurder.


Schrijf dit verhaal verder op de Sjaak magazine Facebook-pagina. Misschien gebruikt Ernest jouw idee wel in de volgende editie!

Tekst door Ernest van der Kwast.